maandag 16 mei 2011

Met de rugzak door Thailand en Laos

Met de rugzak trokken we naar het noorden van Thailand en drongen de jungle van Laos binnen, waar guerrillatroepen verborgen opiumvelden bewaken. Dit zijn de regio’s die het meest ongerept zijn gebleven. Het toerisme in Thailand bevindt zich voornamelijk in het zuiden. 

Cultuurverschillen met het Westen

In Thailand zullen we ons aan een aantal mentaliteitsvoorschriften moeten houden. Zo mag je nooit de zool van je schoenen tonen, dat is zeer onbeleefd. Kinderhoofdjes mag je niet met de hand aanraken. Je moet steeds kalm blijven, vriendelijk glimlachen, niet kwaad worden en je stem niet verheffen. Als je iemand om een gunst vraagt moet je je steeds onderdanig gedragen. Soms verwacht men zelfs dat je je echt kleiner maakt door je rug te krommen. De mensen zijn altijd heel vriendelijk, maar achter dat masker schuilt soms een hard persoon dat niet van zijn standpunt zal afwijken.


Eenmaal aangekomen in Bangkok, een megacity vol stinkende tuktuks, zullen we onverwijld de trein landinwaarts nemen. We gaan via Ayutthaya en Chiang Mai naar het noorden, waar de alom bekende Gouden Driehoek ligt. Van daaruit gaan we de Mekong afvaren tot Luang Prabang en via Vientiane terugkeren naar Thailand. Bangkok zullen we voor het laatste houden.


Ayutthaya

In Ayutthaya moeten we vanaf het treinstation met een kleine prauw de rivier over. Ayutthaya was de vroegere hoofdstad van Thailand, gesticht in 1350. Drieëndertig koningen hebben er geheerst. Deze stad staat vol tempels en paleizen en ligt in een groen, jungle-achtig gebied.

Ik raad aan om in Ayutthaya een fiets te huren om de stad te verkennen. Pas wel op, in Thailand rijdt men links.


Het regenseizoen in Thailand loopt van mei tot oktober. Bij helder weer komt er plots een donkere wolk boven je hoofd hangen en dan valt het water in bakken naar beneden. Onweders zijn meestal kort en hevig. 


De hele stad is omringd door rivieren, zo moeten we af en toe de overzetboot nemen. We zagen olifanten en Boeddhabeelden van 20 meter hoog. 

Exotisch eten

Het eten is hier heel bizar, het kan er smakelijk uit zien maar ook wel eens heel vreemd. Meestal sterk gekruid en heel kleurig. Rijst is essentieel om de sterke smaken te neutraliseren. Als je sticky rice vraagt krijg je de rijst die samen plakt in een bolletje. Zo’n bolletje rijst kan je als het ware samenpersen tot een coherent geheel. Als je het dan met grote kracht tegen de muur smijt blijft het waarschijnlijk plakken. De Thaise mensen eten hier de hele dag door. Overal zie je kraampjes en ruik je gekookte rijst en pikante sausjes.




Chang Mai

Na twee dagen Ayutthaya nemen we de nachttrein naar Chiang Mai. Daar vinden we een guest house waar geen kakkerlakken rondlopen. Wel hagedisjes, maar dat is goed, want die eten de vliegjes op.

Chiang mai is een grote stad, veel drukker en minder mooi dan Ayutthaya. Ook hier rijden we met gehuurde fietsen rond, maar het is onveilig door de honderden tuktuks en brommertjes. We bezoeken tempels en marktjes. 

’s Avonds gaan we iets drinken in het Red Light District, na een bezoek aan de avondmarkt. In deze cafeetjes werken veel jonge Thaise meisjes (soms 13-14 jaar). Ze lokken mannen met hun gekir en gelach. Soms zie je wel eens jonge gasten maar ze moeten toch vooral vieze oude mannen plezieren.


Mae Sai

Vanuit Chang Mai gaan we verder met een busje naar Mae Sai, het meest noordelijke punt van Thailand en een klassieke grenspost met een brug over de Mae Kok rivier naar de in Myanmar gelegen stad Tha Ki Lek. De grens is gesloten. Mae Sai is een handelsplaats voor producten uit Myanmar. 



In Mae Sai worden o.a. lakwerk, edelstenen en jade uit Myanmar verhandeld.

Gouden driehoek

Na het middageten rijden we door naar de Gouden Driehoek. Hier komen Myanmar, Thailand en Laos samen. Vroeger werd hier goud voor opium verhandeld. Ondanks strenge maatregelen worden hier nog steeds drugs verhandeld. De chauffeur vertelt ons dat er onlangs iemand betrapt werd op drugssmokkel en de doodstraf kreeg. 


De Gouden Driehoek, het drielandenpunt.

Mekong rivier

Niet ver daarvan staat de ‘Gateway to Indo-China’. De 4800 meter lange Mekong rivier loopt door China, Myanmar, Laos, Thailand, Cambodja en Vietnam. Het regent pijpenstelen. Een prauw, die vol water druppelt, moet ons naar de overkant in Laos brengen.

Hier zal ons grootste avontuur beginnen. Laos is een dunbevolkt land. Er zijn bijna geen wegen, de enige weg door de ondoordringbare jungle is de Mekong rivier. In deze rivier zouden de ‘Queen of Nagas’ zwemmen; de drakenvissen waarmee vele tempels versierd zijn. Rond de ‘Queen of Nagas’ bestaat een mythe die vergelijkbaar is met de Yeti of het monster van Loch Ness. 


De Mekong is een van de belangrijkste rivieren in Azië.


Amerikaanse soldaten houden een ‘Queen of Nagas’ vast. De echtheid van deze foto is moeilijk te controleren.

De Mekong is allesbehalve veilig. De bruine rivier heeft veel draaikolken en sterke stromingen. Er gaan vele verhalen over mensen die in het water vielen en niet meer terugkwamen. Zo was er een vrouw op het dak van een boot geklommen om een foto te nemen van het prachtige berglandschap. Door een plotse schok viel ze in het water. Na een paar minuten merkte haar vriend het op. De boot voer terug maar ze was al verdronken.

Er zijn 2 mogelijkheden om in Luang Prabang te geraken: met de slowboat of de speedboat. Met een speedboat ga je sneller, maar je betaalt veel meer. Bovendien word je kletsnat en hoor je voortdurend een zwaar motorgeluid. Onze slowboat zal twee dagen door de jungle varen. 


De slowboat

We zouden om 11 uur ’s morgens vertrekken, maar er blijven maar mensen instappen. Het giet van de regen en het wordt al snel een slijkboel. Uiteindelijk zit de boot stampvol en beginnen we te varen richting Pak Bang, een klein dorpje in het oerwoud waar we de eerste nacht zullen doorbrengen. 

Al snel gaat het verhaal de ronde dat er de vorige nacht 10 mensen op de boot hebben moeten slapen, omdat er meer toeristen zijn dan kamers. Wanneer we aankomen in Pak Bang is er een stormloop. Sommige mensen springen al naar de kant voordat de boot is aangemeerd. Iedere groep heeft iemand voorop gestuurd om alvast een kamer te huren. We slapen in een echte bamboehut met muskietennet over de bedden.

Om 23 uur valt de elektriciteit uit omdat in elke kamer van het guest house (in totaal 6 kamers) de waaier opstond. Het giet heel de nacht door. Er komt zelfs een kleine modderstroom in onze kamer van de heuvel waartegen onze hut gebouwd is. Gelukkig staat mijn rugzak op een stoel. Het toilet is aan de overkant van de straat. We moeten ons hier douchen met regenwater. Toch een van de nachten waar ik de leukste herinneringen aan zal overhouden.

De volgende dag is het beter weer. We zien prachtige groene heuvels, landschappen als Chinese aquarellen. 


Luang Prabang


Luang Prabang

In de namiddag komen we aan in Luang Prabang. Het is er schitterend. We slapen in Phousi Guest House (spreek uit als pussy), genoemd naar de groene berg Phousi Mountain die het beeld van Luang Prabang overheerst.

Die avond ga ik en mijn zus iets drinken met enkele Thaise meisjes die we op de boot hebben leren kennen. Ze zeggen dat we bier drinken alsof we ‘dorstig’ zijn, maar we drinken helemaal niet veel naar westerse maatstaven. Zelf zijn ze na één pintje al beneveld. Het cliché dat je een Aziaat makkelijk onder tafel drinkt klopt hier.



De volgende dag klimmen we via vele trappen de berg op naar de heilige tempel, en genieten van het magnifieke uitzicht. Sommige trappen zijn versierd met de ‘Queens of Nagas’, de legendarische drakenvissen.


In de namiddag slenteren we door centrum van Luang Prabang. Plots springt er een aapje naar mijn broer zijn gezicht. De ketting was net lang genoeg zodat het aapje hem kon krassen op zijn neus. 
















Voor het slapen ga ik met mijn zus nog een wandeling maken. Wanneer we in het duister op een bankje zitten komen er twee Laotianen bij ons staan om een joint te rollen. Ze vragen ons of we wat opium willen kopen. Een van de gasten haalt een bruin plakje tevoorschijn. 


Na een paar dagen in dit groene oord gaan we naar de hoofdstad van Laos, Vientiane. Dat Aziaten gemiddeld kleiner zijn dan Europeanen ondervind ik door de beenruimte in de bus. Mijn knieën drukken in de zetel voor mij. De benen strekken is onmogelijk.

De buschauffeur rijdt zo snel door de scherpe bochten en over de hobbelige zandwegen dat iedereen moet kotsen. We hadden gelukkig geen ontbijt genomen. Het eerste deel van de rit rijden we door een vrij oud gebergte, afgeronde bergen, overal oerwoud. Hier en daar zien we authentieke huisjes, meestal op palen en met een bamboedak.


Het tweede deel van de rit is vlakker. Hier zien we groene rijstvelden waar boeren in traditionele kleren en met kegelvormige hoeden op werken. 

Vientiane

Vientiane is niet erg indrukwekkend voor een hoofdstad. Deze stad ligt ook aan de Mekong rivier.

We hebben geluk. Vandaag zijn het Boeddhafeesten (begin van de vasten). Iedereen offert snoep of geld zodat alle monniken er een zak vol van hebben. Ook hier bezoeken we vele tempels. Die tempelbezoeken vormen een rode draad in de hele reis. 

De volgende dag gaan we de grens terug over naar Thailand. Dat gaat hier via een brug over de Mekong. Dat corruptie welig tiert, manifesteert zich voornamelijk aan grensposten.

De douaniers verzinnen altijd een reden om fooi te verdienen. Vorige keer was het omdat het weekend was. Deze keer moeten we meer betalen omdat het na 16 uur is. We stonden echter al in de rij om 15.50 uur met maar één persoon voor ons, maar de grenswachter werkte zo traag dat we pas om 16.05 aan de beurt kwamen. Er ontstaat een discussie tussen mijn vader en de douanier. Het probleem is dat je moeilijk kan onderhandelen, als ze willen laten ze je gewoon niet door.

Nakhon Ratchasima

Vanuit Kong Nang, de eerste stad over de grens nemen we de bus naar Nakhon Ratchasima. Nakhon Ratchasima is een echte stinkstad. Door de hitte overheerst de geur van uitlaatgassen. Je kan er gewoon niet ademen, zeker niet waar al de ronkende bussen staan. Vele mensen dragen een maskertje. Hier word je niet oud.

Phi mai

Na een nacht in een kakkerlakkenkot te slapen vluchten we uit deze stad en nemen we de bus naar Phi Mai. Daar bezoeken we een Jungle Book-achtige tempel. 


Omdat Phi Mai aangenaam en rustig is blijven we hier slapen. Op een markt zien we ratten op een stokje, geroosterde kakkerlakken, maden en sprinkhanen. Allemaal delicatessen. Ik vraag of ik eens een sprinkhaan mag proeven. Net voor ik de kleine reus in mijn mond wil steken houdt de man me tegen. Hij breekt de twee achterste springpoten eraf. Daar zitten weerhaakjes aan. De sprinkhaan is krokant en smaakt naar nootjes.

Terug naar Bangkok

We zitten nu op de bus naar Bangkok. Er staat een zeer flauwe Aziatische film op. De mensen van hier vinden het precies wel grappig. Ze kunnen goed lachen met kinderlijke slapstick humor. Daarna volgt een Amerikaanse film waarin stukken gecensureerd zijn. Als er bloot in de film komt valt het beeld even weg. 

Tot nu toe waren de tempels een plaats waar we tot rust konden komen. Dit is in Bangkok niet meer waar. Het wemelt hier van de toeristen. De prijzen liggen hier ook veel hoger.

Het tempelcomplex ‘Royal Palace’ is hier veel groter en glamoureuzer (overal met goud versierd), maar daarom niet mooier dan de vorige. 


Royal Palace

In de namiddag willen we naar de wijk gaan waar de nieuwe shoppingcentra zijn. Een tuktuk taxi biedt ons een rit aan voor 15 bath, een beetje verdacht. We proberen het toch. Als we merken dat hij niet het juiste traject volgt en richting buitenstad rijdt willen we uitstappen. Hij wil echter niet stoppen, hij zegt dat hij een kortere weg neemt. Dankzij de verkeersdrukte is hij verplicht om te stoppen. Van deze gelegenheid maken we gebruik om uit te stappen. De man wordt agressief. We geven hem 15 bath. Ik denk dat we net ontsnapt zijn een overval. 


De winkelbuurt is heel luxueus. Het is de chique coté van Bangkok. De shoppingcentra liggen in hoge buildings. Qua architectuur is het hier veel moderner dan andere stadsgedeeltes. 

Het stikt hier van de mensen, een mierennest lijkt het wel. Na vier uur wandelen zijn we het dan ook kotsbeu, we keren terug met de skytrain.


Achteraf in ons guest house aangekomen wordt alles duidelijk. Het bordje dat er hangt beschrijft volledig de situatie die we voorheen hadden meegemaakt.

NEW GUESTS BEWARE

BEWARE OF WELL DRESSED PEOPLE AROUND KAOSAN OR GRAND PALACE, AT EVERY TEMPLE WHO WANT TO SPEAK WITH YOU. THEY WILL ORGANISE GEM FACTORY CHEAP TUK TUK FOR TOUR AROUND TOWN FOR 10-20 BATH AND THEN TO SELL GEM AND DIAMOND SHOPS. DON’T GO! BEWARE! THEY ARE GANGSTER!

Waarschijnlijk word je dan in een winkel met nepsieraden geloodst en word je gedwongen om voor veel geld aan te kopen.

’s Avonds trekken we er op uit om de bekende wijk Pat Pong te bezoeken. Pat Pong is het centrum van de seksindustrie in Bangkok. In deze wijk vol bars kunnen ook gays hun gading vinden. Ze delen hier zelfs de ‘gay guide’ uit van Thailand.

We stappen een bar binnen om eens te zien wat het is. ’t Is een tweederangsbar. De meisjes kunnen niet dansen en hebben geen mooi figuur. Een paar degoutante truckjes kunnen ze wel (pingpong balletjes uit hun vagina afschieten e.d.). Ook met het bier worden we in het zak gezet. Eerst proberen de bazen ons een te hoge rekening aan te smeren, dan blijkt het bier ook nog eens slecht te smaken. Ze hadden de bierflesjes geopend opgediend. Waarschijnlijk gieten ze hier de restjes bijeen. 

Voor ons zitten twee oude blanke venten. Ze betalen om elk twee Thaise meisjes mee te nemen naar hun hotel. Pat Pong is de plaats vooral toeristen hun obscene seksgedachten kunnen waarmaken. Opmerkelijk is dat er hier veel omgetoverde mannen in bars dansen. Ladyboys of womanboys noemen ze dat hier. 


Ze zijn niet allemaal even goed omgebouwd, maar sommige ladyboys zien er wel als echte vrouwen uit.

Het is al laat. We zijn gedwongen een taxi terug te nemen naar ons guest house. De taxichauffeur lijkt op het eerste zicht sympathiek, maar al snel blijkt ook hij een profiteur te zijn. Hij doet alsof hij geen Engels verstaat en rijdt plots volledig de verkeerde richting uit, alsof hij de weg niet kent in Bangkok, waardoor we veel meer moeten betalen.

Bangkok heeft duidelijk twee kanten. Enerzijds een fascinerende stad waar veel te ontdekken valt, anderzijds een oord van liegen en bedriegen. Enerzijds wordt seks gecensureerd in films, anderzijds worden talloze kindjes verkocht aan de prostitutie, genoodzaakt door armoede.


De volgende dag maken we een boottocht door de waterwegen of 'Klongs', bekend van de drijvende markten. Langs het water staan houten huisjes op rotte palen. De huisjes zelf zijn ook al niet meer in goede staat. 

De mensen leven hier in erbarmelijke omstandigheden. De kinderen spelen in water waarin veel rommel drijft en waar de riolering in uitmondt. 


In de namiddag bezoeken we het grootschalige Chinatown. Hier kan je heel de dag door diverse hapjes op straat eten en er zijn veel smalle steegjes waar levende vissen en andere onaantrekkelijke zee-creaturen uit emmers water springen.

’s Avonds halen we flessen Singha bier in de 7-eleven shop en bekijken we de nationale sport van het land: Muay Thai. Getalenteerde kinderen krijgen van jongs af aan een Spartaanse training in Thaiboks. Als de Thai groter van gestalte waren zou de wereldkampioen K-1 waarschijnlijk een Thai zijn.


Koh Chang

De laatste dagen zullen we als gewone strandvakantie doorbrengen op het eiland Koh Chang. We slapen in een huisje op het strand met zicht op zee. ’s Avonds drinken we verse kokosmelk aan het kampvuur met de Thai.



Na een wandeltocht door een tropisch woud komen we bij een waterval. Het is een paradijselijk plekje, overal groen, rotsen en helder water waar veel vissen in rondzwemmen. 


Vrijgezellen hoeven in Thailand niet alleen rond te reizen. Je kan hier een Thais meisje of een jongen huren voor een week of meer. Zo zagen we op de boot van Koh Chang naar het vasteland twee nogal zwaar gebruinde mannen, tegen de 50 met een roodverbrande huid. Beide hadden een Thaise vrouw aan hun zijde, duidelijk gehuurd. Ze waren heel de boottrip vuile moppen aan het maken.

Ik heb nog nooit op drie weken zoveel onbekende, nieuwe dingen gegeten. Dikwijls eet je een stuk waarvan je niet weet waarvan het afkomstig is. Deze reis heeft me ook het verschil tussen de Westerse en Aziatische mentaliteit duidelijk gemaakt. Aziaten zijn ingetogen en bedeesd. Het was een aanvullende levenservaring. Nu maar hopen dat er thuis geen vette kakkerlak uit mijn rugzak spurt om zich te nestelen en vermenigvuldigen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen